Allobates zaparo

 Allobates zaparo (Silverstone, 1976)  

 

Beschrijving: Allobates zaparo is een middelgrote kikker waarbij de vrouwtjes tot 30 mm groot worden en de mannetjes meestal iets kleiner blijven. De rugzijde is sterk gegranuleerd, waarbij de granulen een donkerrode kleur hebben, op een bruinzwarte basiskleur van de rug. Langs de zijden van de rug is bij veel exemplaren een vaag bleke of rode streeptekening waarneembaar, vanaf de achterpoten tot op de neus. Ook de achterpoten zijn licht gegranuleerd. De rest van het lichaam is glad. De flanken zijn donkerbruin tot zwart van kleur. Op de onderlip, tot aan het bovenarm, loopt een witte streep. Tussen de voor- en achterpoten is een witte tot lichtblauwe streep aanwezig. De poten zijn bruin gevlekt in verschillende tinten. Op de schouders en in de liezen zijn gele signaalvlekken aanwezig bij sommige populaties, en afwezig bij andere populaties. De keel- en buikzijde zijn donkerbruin, met een grijs gemarmerde tekening op de buik.

Allobates zaparo is door Silverstone (1976) beschreven als Phyllobates zaparo. Na achtereenvolgens in de geslachten Dendrobates (Myers et al., 1978) en Epipedobates (Myers, 1987) geplaatst te zijn, werd de soort door Vences et al. (2003) in het geslacht Allobates geplaatst.

 

Verspreidingsgebied: De soort komt voor in het stroomgebied van de Río Napo en Río Pastaza in Ecuador, oostelijk van de Andes, tot in het aangrenzende Cordillera Oriental in Peru, op 200-600 m. b.z.n. Type lokaliteit: 2 km ten westen van Canelos, Provincie Pastaza, Ecuador, 580 m. b.z.n.

 

Natuurlijke habitat: Van primair en secundair regenwoud, tot cacaoplantages en verwilderde tuinen.

 

Gedrag: Allobates zaparo is een grondbewonende soort. Bij verstoring vluchten de dieren snel weg tussen het bladafval op de bosbodem. Mannetjes zoeken om te roepen een verhoging op. Van nature worden mieren, kevers, vliegen, spinnen en veel andere dieren als prooi gezien. Larven worden afgezet in kleine natuurlijke poeltjes, maar ook in wielsporen die water bevatten.

Geografische variatie: Noordelijke populaties in Ecuador, in het stroomgebied van de Río Napo, kenmerken zich door de aanwezigheid van gele signaalvlekken op de schouders en in de liezen. Sympatrisch komt daar Ameerega bilinguis voor, die eveneens een rood gekleurde rugzijde en gele signaalvlekken heeft. Populaties in Zuidelijk Ecuador, in het stroomgebied van de Río Pastaza, en Peru, kenmerken zich door de afwezigheid van deze signaalvlekken. Daar komt Ameerega parvula sympatrisch voor, die eveneens een rode rugzijde heeft, maar geen signaalvlekken. Beide Ameerega soorten vormen hier een model voor mimicry. Op plaatsen waar beide Ameerega soorten voorkomen, kopieert Allobates zaparo de minst giftige Ameerega bilinguis.

 

Voorkomen in gevangenschap: Allobates zaparo heeft een lange geschiedenis in onze hobby. Het houden van-, en de handel in-, is altijd toegestaan. In recente jaren zijn ze echter nauwelijks nog te vinden. Mogelijk is de soort door een gebrek een goede kweekresultaten, en een verlies aan interesse, grotendeels uit de hobby verdwenen.

 

Verzorging en kweek: In gevangenschap worden deze dieren succesvol per koppel of groepje gehouden en gekweekt. Een groepje kan het beste bestaan uit één mannetje en meerdere vrouwtjes. Omdat het een bodembewonende kikker betreft is een bak met enige grondoppervlakte wenselijk. Het adviesformaat voor een bak is 60 × 50 × 50 cm per te houden koppel. Voor een viertal dieren kun je de breedte en/of diepte van de bak vergroten. De temperatuur mag overdag oplopen tot zo’n 25 °C. ’s Nachts mag de temperatuur teruglopen met 3 tot 5 °C. Een hoge luchtvochtigheid is een vereiste. Dit kunt je bereiken door één of meer keer per dag de bak te besproeien. Richt de bak in met enkele stukken hout, bladafval en planten. Een klein waterdeel in de bak is belangrijk als afzetplaats voor de larven. Voor de kweek kunnen kunstmatige afzetplaatsen zoals horizontaal geplaatste filmkokertjes worden gebruikt, maar ook tussen bladafval kunnen eieren afgezet worden. Legsels bestaan uit 15 tot 25 eieren. Na ongeveer 14 dagen komen de eieren uit, en zal het mannetje alle larven in één keer op zijn rug naar het water vervoeren. De larven kunnen in de bak gelaten worden mits er voldoende voedsel voor de larven beschikbaar is. De larven kunnen tezamen opgekweekt worden. Na 7 tot 8 weken komen de jongen aan land en zijn dan reeds 8 á 9 mm groot. Bij goede voeding groeien ze snel en worden ze binnen 8 tot 12 maanden geslachtsrijp.

 

Voedsel: Grote en kleine fruitvliegen, bladluizen, springstaartjes, tropische pissebedden, jonge krekels en larven van rijstemeelkevers worden graag gegeten. Jonge dieren die net aan land komen kun je voeren met springstaartjes, kleine fruitvliegen en kleine bladluizen. De larven kunnen opgroeien met een dieet van verschillende visvoeders.

Geciteerde literatuur:

  • Myers, C. W., Daly, J.W., & Malkin, B. 1978. A dangerously toxic new frog (Phyllobates) used by Emberá Indians of western Colombia, with discussion of blowgun fabrication and dart poisoning. Bulletin of the American Museum of Natural History 161, 307-366.
  • Myers, C. W., 1987. New generic names from some neotropical poison frogs (Dendrobatidae). Papeis Avulsos de Zoologia. São Paulo 36, 301-306.
  • Silverstone, P. A., 1976. A revision of the poison-arrow frogs of the genus Phyllobates Bibron in Sagra (family Dendrobatidae). Science Bulletin. Natural History Museum of Los Angeles County 27, 1-53.
  • Vences, M., Kosuch, J., Boistel, R., Haddad, C.F.B., La Marca, E., & Lötters, S., 2003. Convergent evolution of aposematic coloration in Neotropical poison frogs: a molecular phylogenetic perspective. Organisms, Diversity & Evolution 3, 215-226.


Foto: Erik van der Horst

Geplaats in: Allobates